Een regio in het meervoud, en niet toevallig
Anderhalf miljoen inwoners, vijf provincies en geen stad die de andere overheerst.
De Marken zijn de enige Italiaanse regio met een naam in het meervoud, en de reden is historisch: het waren de grensmarken van het Heilige Roomse Rijk, drie of vier verschillende gebieden die men samenvoegde. Je merkt het nog. Er is geen overheersende hoofdstad, maar een tiental middelgrote steden, elk met een oude kern, elk een half uur van de volgende.

Hoe ze in elkaar zit
Het patroon is steeds hetzelfde: parallelle dalen die van de Apennijnen naar zee lopen, gescheiden door ruggen. Elk dal heeft een rivier, een weg en een reeks dorpen halverwege. De kust is bijna overal laag en zandig, met een uitzondering: de Conero, waar een berg van vijfhonderdtweeënzeventig meter loodrecht het water in valt en de stranden over twintig kilometer wit grind worden, te voet of per boot bereikbaar.
Waar de campings liggen
Aan de kust, en in twee uitvoeringen. Ten noorden en ten zuiden van de Conero liggen de grote vakantieparken met het strandbad ervoor en de spoorlijn erachter: Senigallia, Marotta, Porto Sant'Elpidio, Cupra, San Benedetto. Op de Conero zijn ze schaars, klein en in het park, meestal in het dennenbos. In het binnenland zijn er enkele bij de meren en de Sibillini, bijna allemaal seizoensgebonden.
Hier is elk dal een wereld op zich, en het dorp ernaast praat al een beetje anders.
Hoe je de Marken uitlegt aan wie net aankomt
Hoe je het aanpakt
De hele kust rijd je in anderhalf uur af, en de Adriatische trein stopt in bijna elke badplaats: veel campings liggen op loopafstand van een station. Voor het binnenland rijd je één dal tegelijk omhoog, en het loont er één te kiezen: van Senigallia naar Frasassi en Jesi, van Fano naar Urbino, van Civitanova naar Macerata en de Sibillini, van San Benedetto naar Ascoli.
De zomer aan de kust is levendig, maar nooit zo vol als de Romagna, en dat merk je aan de prijzen. In juni en september vind je overal plek en de zee is dezelfde.